Dit is mijn laatste avond als zesenveertigjarige. Hoewel dat verder weinig zegt over het aantal avonden dat ik nog zal meemaken, en de voorraad morgen niet opeens drastisch zal zijn geslonken, is zo'n overgang naar een nieuw jaar toch een moment waarop ik onwillekeurig even ga rekenen.
Nog een keer de kleuterschool (waar ik 'bleef zitten' omdat ik 'ongelukkig jarig' was - dat had je nog in die tijd), de lagere school en de middelbare, en ik ben tweeenzestig. Studie Nederlands en bijvak Geschiedenis erbij, en ik ben zeventig. Dat klinkt nu nog als een leeftijd die ik niet zou kunnen hebben. Maar dat dacht ik ook van zevenenveertig. Ik weet nog goed dat ik als meisje van veertien niet kon wachten met ouder worden: 'Ach, als ik toch eens zeventien zou zijn! Maar ja, dat duurt nog eeuwen.' Nu is drie jaar vooruit denken veel minder beloftevol. Dan ben ik - nou, reken maar uit, als je nog kunt.
Gisteren vierde ik mijn verjaardag met mijn familie. Mijn zus bracht een mooi cadeau mee, en daarnaast een plastic tas met boeken die ze niet meer wilde hebben. Hij staat hier naast me. Hele series zitten erin. Pitty naar kostschool, Pitty's tweede kostschooljaar, Pitty in de derde. En dan nog drie jaar zo door. De dolle tweeling: van hetzelfde laken een pak, zes delen lang. En dan die eindeloze serie van de vijf: De vijf op avontuur, De vijf en het verborgen spoor, De vijf en de verborgen tunnel. Nou ja, you get my drift.
Ga ik die boeken een plaats geven in mijn boekenkast? Ha! Ik dacht het niet. Een paar zal ik er doorbladeren. O ja, kattekwaad: dat had je toen nog! En, ach, nu weet ik het weer: de ergste zonde van een meisje op kostschool is 'achterbaks zijn'. Daar hoor je ook nooit meer iets over. Ik glimlach omdat ik mij herinner dat Georgina, de guitige krullenbol van de vijf, zich George liet noemen, en ik dat in mijn hoofd altijd uitsprak als Gee-jor-ge. Wist ik veel.
Maar nu weet ik beter. En daarom stop ik de pockets met vrolijke kleurtekeningen op het omslag in een doos en plaats die in een diepe kast, achter de kampeerspullen. De rest gooi ik weg. Ja, echt. Sinds ik elk jaar tientallen debuten krijg, vanwege mijn lidmaatschap van de jury van de Debuutprijs, kan ik dat: boeken weggooien. Gisteren gaf ik er een paar mee aan familieleden. Maar wat ik nooit meer zal lezen en waar ik geen dierbare leesherinnering aan heb: dat breng ik naar het oud papier. (Zie trouwens de blog van DaPiet voor een vermakelijk betoog over waarom je eigenlijk helemaal niets meer hoeft te lezen, en Flopke en Marina over lezen bij verdriet en somberte.)
Ik beschouw deze meedogenloosheid als een verworvenheid van het ouder worden. De tijd gaat dringen, en dat dwingt tot selecteren. Dat principe geldt op de plank, maar ook horlogetechnisch. Pulp lees ik niet. Als een boek me niet bevalt leg ik het weg (dat is trouwens nog steeds een moeilijke). Ik zoek naar wat mij werkelijk kan boeien en raken.
Gisteravond ben ik begonnen in 'The white rock, An exploration of the Inca Heartland', van Hugh Thompson. Ik hoop op een poetisch en geestig verslag van opmerkelijke archelogische vondsten, waar ik veel van kan leren. Voor minder doe ik het niet. Daarna Neruda weer eens lezen, over Machu Picchu. Dan terug naar Eduardo Galeano, en zijn indrukwekkende geschiedenis van Latijns-Amerika, opgebouwd uit talloze fragmenten. En ondertussen reizen regelen, naar Barcelona en Chili.
In zo'n leven heeft de dolle tweeling niet langer een plaats. Wie het niet kan verdragen dat ik jeugdsentimentele lectuur naar de gemeentewerf ga brengen kan zich bij mij melden. Beschouw dit als een marktplaatsadvertentie. Maar laat ik erbij zeggen dat mijn zus die weg al heeft geprobeerd.
Het ultimatum loopt op 8 oktober af. Dan gaan de meeste Enid Blytons de deur uit. Ik denk dat zelfs de boeken van J.B. Schuil eraan moeten geloven. 'Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen': die titel vond ik vroeger zo stom, dat ik het boek nooit wilde lezen. 'Stom' vind ik dingen niet meer. Toch zal ik dit boek nooit lezen. Sommige dingen veranderen niet.