En zo kon het gebeuren dat ik vandaag maar liefst drie taken uit de categorie 'huis' tot uitvoering bracht. De klassen 'zakelijk' en 'bellen/mailen' liet ik voor wat ze waren. Het is tenslotte weekend. Dus ruimde ik de halkast op. Ook zoomde ik eindelijk de gordijnen in de huiskamer, die al een tijd te lang hingen te zijn, eens om.
In het begin werd ik nog besprongen door opstandige gedachten. Waarom sta ik dubbelzijdig klevend band in gordijnzomen te strijken, terwijl ik ook een goed boek zou kunnen lezen - of schrijven? Lezen en schrijven ervaar ik altijd als zinvol. Strijken doe ik daarentegen zo weinig dat ik speciaal voor mijn gordijnen een stoombout moest gaan kopen.
Maar na de vertrouwde eerste wanhoop (dit gaat helemaal fout) en het nogmaals lezen van de gebruiksaanwijzing (o, wacht, je moet persen met een natte lap), merkte ik dat het beter ging als ik gewoon deed wat er op de verpakking stond (dus ze kunnen tegenwoordig best lijm maken die houdt, en ik ben zelf de eikel), en ontwikkelde ik zelfs een gordijnomzoomroutine. Toen anderhalf uur later de gordijnen mooi afhingen, in plaats van op de vloer te dweilen, voelde ik mij net zo tevreden als na zestig bladzijden Martin Amis of anderhalf kantje Pauline Slot.
Dat gaf al te denken. Het werd nog verontrustender toen ik dekbedden en slaapzakken ging opbergen in van die coole vacuumzakken, die ik laatst in een opwelling bij Ikea kocht. (De Zweedse economie draait op dat soort impulsen, want je komt naar Ikea voor een opzetstuk voor je Billy boekenkast en gaat er weg met ook nog een handige beslagkom, een nieuw hoofdkussen en eindelijk eens handdoeken die passen bij de badkamertegels - en daar dan meteen maar zes van - en als we nu toch bezig zijn: ton-sur-ton-theedoeken zijn ook leuk). Wat was er dan zo ontregelend? Ach, het kwam allemaal door het vacuumzuigen.
Je stopt de opgebolde, opgeflufte dekbedden in een enorme plastic zak. Tot zover is het nog vertrouwd: zo'n zelfde zak probeer ik immers altijd in een te kleine kast te proppen. Dan duw je over de hele breedte de sluiting dicht; een secuur werkje, waarvan je je op dat moment nog afvraagt of het wel de moeite waard is. Maar die twijfel is snel verdwenen als je de stofzuiger op de speciale opening zet. Het wonder voltrekt zich: alle lucht wordt eruit gezogen, dekbedden worden teruggebracht tot hun essentie. Je eindigt met een bobbelig, plat pakket, dat zich met gemak achter in een kast laat schuiven - terwijl ik vanochtend nog overwoog om een verdieping op mijn huis te laten zetten.
Het was op dat moment dat ik mij begon af te vragen of lezen en schrijven wel zoveel zinvoller zijn dan de taken die vallen onder 'huis'. Let's face it: je kunt er net zozeer door in een flow geraken, je bent zeker zo tevreden als het af is, en er zijn zelfs vervullende esthetische ervaringen mee op te doen. Zoals kijken naar gordijnen die opeens geraffineerd net boven de vloer blijven hangen, met ongeknakte plooien, en bevoelen van het gebeeldhouwde, glanzende vacuumpakket met beddegoed. Opeens wist ik niet meer waarom een mens nog zou lezen en schrijven.
In 'What good are the arts?' becommentarieert John Carey in zijn nawoord de felle reacties op zijn boek. Maar, zegt hij, er waren ook mensen die zijn relativerende visie op kunst goed begrepen. Uiteindelijk is niets voor de eeuwigheid, wat kunstenaars zichzelf ook wijsmaken. Een geschrobde gootsteen en 'Ulysses': ze zijn evenzeer gedoemd verzwolgen te worden door onze zon, als die een supernova wordt.
Sommige mensen bleken zich na het lezen van Carey's boek zelfs bevrijd voelden van de last om Tracey Emin's onopgemaakte bed te moeten bekijken en - nog erger - waarderen. 'I especially remember one lady who cornered me at the Hay-on-Wye Festival. She quite liked art, she said, but what she really liked was gardening, and she thought it - here she looked round nervously and lowered her voice - 'more philosophical, well, than art''. En de vrouw citeert twee regels Wordsworth: 'To me the meanest flower that blows can give/ thoughts that do often lie too deeps for tears.'
Vandaag leken taken uit de categorieen 'huis' en 'kunst' evenveel voldoening te kunnen geven. Misschien is een aandachtig proces belangrijker dan tot welke categorie de taak behoort, dacht ik. Misschien maakt het niet uit wat je doet, zolang het orde schept, in je hoofd, of om je heen. Het is alleen wel verdacht dat ik dit nu weer zit op te schrijven. En ook de vrouw die meer van tuinieren hield dan van kunst, gebruikte dichtregels van Wordsworth om uit te drukken waarom dat zo was. Alles heeft twee kanten. Net als dubbelzijdig klevend band.