Posts tonen met het label Berlijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Berlijn. Alle posts tonen

donderdag 4 oktober 2007

De voorbijheid van Berlijn


Dat alle dingen een begin hebben en een einde: het is eigenlijk een heel goed concept. Een film, de afwas, het Romeinse Rijk, hyacinthen, het heelal: je kunt het zo gek niet verzinnen of ze starten en houden dan ook weer op. Begrijp me goed: ik ben niet kritiekloos in mijn waardering. De nadelen zijn evident.

Zo is het jammer dat mijn week in Berlijn voorbij is. Doodgaan: ook zoiets, al heb je het wel nodig, omdat er anders alleen nog maar staanplaatsen zouden zijn, op aarde. Dat moment schijnt overigens rond het jaar 2330 toch wel aan te breken, met de huidige bevolkingsgroei. Dan heeft iedereen nog precies een vierkante meter tot zijn beschikking, las ik laatst ergens.

Nou is mij opgevallen dat ik eigenlijk nooit meer nodig heb dan dat. Alleen ligt mijn vierkante meter wel telkens op een ander stukje grond, waar ik mij dan niet hoef in te vechten omdat er al iemand anders zit. Dat maakt toch uit. Onze planeet als de trein van Leiden naar Den Haag Centraal, om 7.52 uur: daar moet je niet aan denken. En maar bellen, allemaal.

Hoe groot de nadelen van al dat aanvangen en dan weer aflopen ook zijn, de voordelen zijn groter. Zo is het handige van de voorbijheid van mijn week in Berlijn dat ik nu mijn handen vrij heb om naar Madrid te gaan. Daar staan namelijk huizen waar Neruda en Maruca woonden, en die wil ik graag zien. Deze week boekten we een hip appartement in het centrum, natuurlijk met adsl.

En binnenkort begin ik dus weer aan een reis die in een week een heel leven vertegenwoordigt, met de opwinding van het nieuwe, de eerste dagen, en dan de prettige routine, als ik mijn looproutes heb gevonden, en mijn favoriete koffietenten en restaurants, en gaandeweg de moeheid en de verzadiging, en het gevoel dat het goed is geweest, en zelfs - genoeg. Het afscheid doet pijn. Toch wil ik ook weg.

Vandaag had ik eindelijk tijd om te beginnen in 'The white rock', van Hugh Thompson, ontdekker van Inca-ruines. Ik schreef laatst al wat ik hoopte in dat boek te vinden. And he's delivering! Een citaat: 'One of the archaeologists with us tripped over a stone. "Archaeologists are always so clumsy," said Ann. ''Is that why you leave so many ruins everywhere?" asked Roddy.' Kijk, dan wil je verder lezen.

Mooie beelden ook. Thompson en zijn reisgenoten lopen over een hangbrug, 'the river roaring for our blood'. En feiten die ik niet kende. Zo vertelt hij over de sympathieke gewoonte van de Inca's om geen wegdek aan te leggen als dat niet nodig was, bijvoorbeeld omdat de grond een tijdlang vlak en onbegroeid was. Ze pakten de draad van het bestraten wel weer op als het landschap dat noodzakelijk maakte. Een paar van zulke passages, vanmiddag, op mijn vierkante meter in de tuin, in de herfstzon, en ik wist dat ik een mooie reis ging maken.

Ik weet ook al hoe die verder zal gaan. Nu lees ik nog gretig, maar geef me een een uur of wat en ik zal mij in het boek genesteld hebben, rustig en comfortabel, vertrouwd met toon en ritme. Dan komt er een moment, pakweg bij pagina 235, dat ik begin te denken aan een volgend boek, aan de gedichten van Neruda over Machu Picchu, die ik nu met een nieuwe blik nog eens kan lezen. En dat moet toch opwindend zijn. En dan is goed geweest, dit boek van Thompson, en zelfs - genoeg.

woensdag 26 september 2007

Good help is hard to come by, these days!


Eerder schreef ik al over de zoektocht van biografen naar obscure figuren die toch het beschrijven waard zijn, nu alle echte beroemdheden al hun standaardwerken hebben. 'Virginia Woolf and the servants' valt zeker in die categorie. Ik kreeg het cadeau van Pieter, tijdens onze trip naar Londen, en was aangenaam verrast door het nieuwe perspectief dat dit boek de lezer biedt. Na een paar meter lezen over Bloomsbury wist ik alles over zelfs de saaie Saxon Sydney-Turner. Maar Nellie Boxall en Lottie Hope?

Houd me ten goede: ik kende ze bij naam, uit de brieven en dagboeken van Virginia Woolf, maar als passanten. En dat terwijl ze jaren en jaren inwoonden bij de Woolfs, en Virginia met hen ruziede alsof ze familie waren. Er waren scenes, met stampvoeten, met ontslag nemen en krijgen, en dan toch weer een verzoening, die voor beide partijen zowel een opluchting als een nederlaag was. Toch had ik me nooit verdiept in deze levens, die toch ook Bloomsbury-levens waren. Het klasse-onderscheid werkt ook tijdens het lezen.

Pas toen het leven door moderne gemakken gaandeweg eenvoudiger werd, en de ongemakkelijke aanwezigheid van personeel in huis niet meer opwoog tegen de tijd die Nellie en Lottie de Woolfs bespaarden met hun boenen, koken en handenwringen, kwam er een einde aan dit samenleven van onverwante zielen. Ik kan me goed voorstellen dat Virginia Woolf daar blij om was; ik zou mijn glazenwasser ook niet in huis willen nemen. Maar Alison Light vraag terecht aandacht voor de levens van de vrouwen die woonden en werkten in de huizen van de welgestelde intellectuelen, maar daar geen letter over schreven. Ook zij hebben een verhaal dat het waard is om te verteld te worden.

Terwijl ik in Berlijn was, hadden mijn eigen bedienden vrij. Niet dat ik een Eritrese hulp in de huishouding heb die altijd vergeet onder de kast te zwabberen. Evenmin zijn Moldavische klussers op dit moment bezig mijn huis te voorzien van een serre met vloerverwarming. Het was mijn innerlijke personeel dat niet hoefde te werken.

Voor de Schoevers-geschoolde secretaresse in mij was er even geen post om open te maken. Mijn geinternaliseerde hoveniersfirma (Jacobse en Van Es) hoefde de tuin niet winterklaar te maken. Mijn soppende subpersoonlijkheid kon spons en emmer laten staan. Er was geen werk om naar toe te gaan. Er was alleen maar plezier. Zonet bekeek ik de foto's die Pieter maakte en van geestige onderschriften voorzag (te zien via zijn blog, die in het lijstje met bevriende - zeg maar gerust geliefde - blogs staat). Ja, zo was het.

Intussen ben ik weer volop in bedrijf. En ik moet zeggen: het valt niet mee om orders te krijgen om de was te doen, de belastingdienst een brief te schrijven, boodschappen te halen. Een week lang, in Berlijn, hadden mijn bedienden vrij, en was mijn innerlijke werkgever verlost van delegeren en orders geven. Ik kon de dag vullen met wat ik maar wilde: uitslapen, de stad doorkruisen, lezen, lachen, schrijven. Ik was ondeelbaar, zoals je dat alleen kunt zijn als je even weg bent uit het gewone leven.

Nu ben ik daarin teruggekeerd. En het leven vergt onderhoud, ook voor welgestelde intellectuelen. Aan de waslijst met taken valt niet permanent te ontsnappen, of je nu mensen inhuurt om ze uit te voeren, met alle stress die daarbij hoort, of, zoals ik, jezelf moet verdelen over de schrijver upstairs en de poetsvrouw, kokkin en secretaresse downstairs. Hier zitten we dan weer, met zijn allen. Er hangt ruzie in de lucht.